Hoe bereken je de diepgang van een schip?

De diepgang van een schip geeft aan hoe diep het in het water ligt. Hoe meer en hoe zwaarder een schip beladen is, hoe dieper het in het water komt te liggen. Als gevolg komt het dek dus steeds dichter bij het wateroppervlak. Voor de veiligheid van de bemanning en het schip mag de diepgang niet groter zijn dan de maximum diepgang van het schip. Dat vereist een correcte berekening van de maximale belading van het schip.. Naast de hoeveelheid lading tellen ook de aanwezige brandstof, proviand, uitrusting en drinkwater aan boord mee en speelt de densiteit van het water (zout, zoet of brak) ook een grote rol. In zout water liggen vaartuigen minder diep, waardoor ze een kleinere diepgang hebben.

Op de kop of op zijn gat?

Hoe diep een schip in het water ligt is niet altijd overal gelijk. Het verschil tussen de voor-en achterdiepgang heet de trim. Vaartuigen kunnen “op hun gat” (achterover hellend of stuurlastig), “op de kop” (voorover hellend, koplastig of met een negatieve trim) of “even keel” (recht of gelijklastig) liggen. Maar niet elke trim is even ideaal. Het liefst ligt een schip “een voetje op zijn gat”. Dat wil zeggen dat het vooraan ongeveer dertig centimeter minder diep ligt dan achteraan. Tijdens het varen zal het schip zichzelf dan rechttrekken. Een minder ideale trim duidt op het moment waarop een vaartuig voorover hellend (met negatieve trim) ligt, aangezien het dan minder goed bestuurbaar is én de douche van de kapitein niet goed afloopt.

Diep, hoe diep?

Dankzij het inpompen van ballast(water) bepaal je de trim van het schip. Zo kan je water in de voorpiek ballasttank of in de achterste ballasttanks pompen om schepen "op hun kop" of "op hun gat" te krijgen. De bestuurbaarheid van het schip heeft invloed op de hoeveelheid ballast. Lege schepen vragen eenmaal meer ballastwater dan geladen schepen om het schip te trimmen. Ook het scheepstype en de reis spelen een rol, aangezien de trim varieert in functie van de plaatsing van de lading aan boord.

 

Om hoogte-of dieptemetingen in onze haven uit te drukken maken we gebruik van een algemeen referentievlak, de Tweede Algemene Waterpassing (TAW). Het gemiddelde zeeniveau bij laagwater in Oostende is hierbij het nulpeil. Daarnaast hangt de veiligheid van een schip af van de beschikbare waterdiepte, de diepgang en de Under Keel Clearance (UKC), oftewel de minimumruimte tussen het diepste punt onder de kiel van het schip en de bodem van de vaarweg. De UKC verschilt van het vaargebied (15% van de diepgang op zee tot 10% van de diepgang in de geul van een sluis). In de haven bedraagt de UKC meeestal 1 meter op de vaarweg en 0,6 meter aan de ligplaats.

Plimsollmerk

Op de romp van schepen staan verschillende laadlijnen gelast of geschilderd. Deze Plimsoll-markeringen tonen de verschillende laadlijnen voor de maximale belading van het schip aan. Ook het vaargebied (tropische gebieden), het seizoen (winter of zomer) en de densiteit van het water (fresh water of zoet water) beïnvloeden de berekening van de maximale veilige laadcapaciteit. De markeringen zorgen ervoor dat het schip nooit overladen wordt en het risico op kapseizen of overstromingen aan boord vermindert. 

Dit vind je misschien ook interessant